Open YouTube

Configure Azure App Service plans | AZ-104 | Episode 22

Microsoft Learndutchenpublicupdated

Read in about 3 minutes instead of watching 31 minutes.

Inleiding en kernbegrippen

  1. App Service Plans en App Services horen bij platform-as-a-service en kunnen organisaties helpen infrastructuurbeheer te verminderen.
  2. Een App Service Plan is het bovenliggende object; App Services zijn afzonderlijke onderliggende resources binnen dat plan.
  3. App Services delen de resources, prestaties, prijs en functies die door het App Service Plan worden bepaald.

PaaS-infrastructuur

  1. Microsoft bouwt, beveiligt, patcht en onderhoudt de onderliggende Windows- en Linux-infrastructuur, zodat organisaties zich kunnen richten op applicaties en data.
  2. Een applicatie gebruikt een toegewezen deel van de resources, zoals CPU en geheugen, binnen een beschermd geheugenbereik.
  3. App Service Plans kunnen gedeelde of toegewezen capaciteit gebruiken, waarbij Microsoft garandeert dat toegewezen resources niet worden ondergeleverd.

Prijsplannen en functies

  1. De gekozen prijscategorie bepaalt beschikbare functies zoals autoscaling en deployment slots.
  2. Free, Shared en Basic ondersteunen geen deployment slots; Standard ondersteunt tot vijf slots en Premium en Isolated ondersteunen tot twintig.
  3. Autoscaling is niet beschikbaar in Free, Shared en Basic, maar wel in Standard, Premium en Isolated.
  4. Deployment slots en staging slots verwijzen naar dezelfde functie, ook al gebruikt de portal soms de term staging slots.

Schalen

  1. Scale up en scale down wijzigen de hoeveelheid CPU of geheugen; scale out en scale in wijzigen het aantal instanties.
  2. Autoscaling werkt met regels en voorwaarden op basis van metrics zoals CPU, netwerk, schijfgebruik of applicatiemetrics.
  3. Microsoft raadt minimaal één regel voor scale out en één regel voor scale in aan, zodat capaciteit ook weer kan afnemen.
  4. Bij meerdere schaalvoorwaarden kiest Azure de uitkomst die het grootste aantal benodigde resources oplevert.

Schaalvoorwaarden en cooldown

  1. Elke schaalvoorwaarde heeft een minimum, maximum en standaardwaarde voor het aantal instanties.
  2. Cooldown voorkomt dat een omgeving direct na een schaalactie opnieuw schaalt voordat de belasting is gestabiliseerd.
  3. Schaaldrempels moeten zorgvuldig worden gekozen om racecondities te vermijden waarbij scale in meteen weer scale out veroorzaakt.
  4. App Service Plans kunnen sneller opschalen dan virtuele machines, omdat de onderliggende infrastructuur al vooraf is gebouwd.

Portalconfiguratie

  1. Een App Service Plan kan vooraf worden gemaakt of tijdens het maken van een App Service worden aangemaakt.
  2. Bij het maken van een plan kies je onder meer subscription, resource group, naam, regio, besturingssysteem en prijscategorie.
  3. Prijsplannen tonen resources zoals vCPU's, geheugen, opslag en schaalmogelijkheden, plus functies zoals backups, autoscaling en slots.
  4. Een App Service heeft een wereldwijd unieke naam nodig en draait binnen een App Service Plan.

Runtime en regio

  1. App Services ondersteunen gangbare runtimes zoals .NET, ASP.NET, Java, Node, PHP en Python, maar alleen in momenteel ondersteunde versies.
  2. Niet elke runtime draait op elk besturingssysteem; ASP.NET vereist bijvoorbeeld een Windows App Service Plan.
  3. App Service Plans zijn regionaal: apps in een regio hebben een plan in diezelfde regio nodig.

Afronding

  1. App Service Plans verminderen de noodzaak om besturingssystemen zelf te bouwen, beveiligen, patchen en onderhouden.
  2. De volgende onderwerpen gaan verder in op App Services en deployment slots.

Actiepunten

  1. Haal de vereisten voor runtime en besturingssysteem op bij de applicatieontwikkelaars voordat je het App Service Plan kiest.
  2. Bekijk andere video's in de cursus of ga verder met Microsoft Learn om door te leren.