Open YouTube

Manage and control traffic flow in your Azure deployment with routes | AZ-104 | Episode 12

Microsoft Learndutchenpublicupdated

Read in about 2 minutes instead of watching 23 minutes.

Introductie en doelen

  1. De sessie behandelt routering van Azure-netwerkverkeer, systeemgedefinieerde routes, user-defined routes en endpoints.
  2. UDR's worden gebruikt om verkeer door subnets, VNets en WAN-routes gericht te sturen.
  3. Service endpoints en private endpoints verbeteren prestaties en beveiliging bij toegang tot Azure-resources.

Standaardroutes en UDR's

  1. Azure gebruikt standaard systeemgedefinieerde routes om verkeer binnen bekende netwerkomgevingen te routeren.
  2. User-defined routes kunnen standaardroutes aanvullen of overschrijven wanneer je specifiek verkeer anders wilt laten lopen.
  3. In een hub-and-spoke-ontwerp kunnen UDR's verkeer via een network virtual appliance in de hub sturen, bijvoorbeeld tussen spokes die niet direct met elkaar praten.

Service endpoints

  1. Een service endpoint verbindt een subnet of VNet met een Azure-service via de Azure-backbone in plaats van via het openbare internet.
  2. Bij service endpoints verbind je met de Azure-service of resource provider, zoals Azure Storage, en niet met één specifieke instantie.
  3. Toegang blijft afhankelijk van machtigingen, maar kan gelden voor meerdere storage accounts binnen dezelfde Azure-service.
  4. Service endpoints worden op subnetniveau ingesteld en zijn geschikt wanneer meerdere resources van hetzelfde servicetype bereikbaar moeten zijn.

Private endpoints

  1. Een private endpoint projecteert één specifieke Azure-service-instantie als een IP-adres binnen een gekozen subnet.
  2. Lokale resources kunnen die instantie aanspreken alsof het een lokaal netwerkadres is.
  3. Dit maakt toegang eenvoudiger te ontwerpen, diagnosticeren en beveiligen met bestaande netwerkmechanismen zoals NSG's en application security groups.

Azure-backbone en peering

  1. De Azure-backbone verbindt regio's via Microsofts private netwerk en vermindert afhankelijkheid van gateways en openbaar internet.
  2. VNet-peering, regionaal en globaal, gebruikt deze backbone en kan kosten, latency en complexiteit verlagen terwijl de beveiliging verbetert.
  3. Service endpoints gebruiken deze backbone om Azure-services te bereiken, ongeacht waar de resource zich bevindt.

Portaaldemonstratie

  1. De demo maakt eerst een service endpoint voor Azure Storage op de datatier-subnet van een hub-VNet.
  2. Daarna wordt voor een specifiek storage account een private endpoint aangemaakt voor blob storage in dezelfde datatier-subnet.
  3. Het private endpoint krijgt een netwerkinterface en een dynamisch IP-adres binnen het subnet.
  4. Na aanmaak verschijnt het private endpoint als verbonden apparaat met een lokaal IP-adres, zodat resources het via dat netwerksegment kunnen gebruiken.

Samenvatting

  1. Azure biedt standaardroutes, UDR's, service endpoints en private endpoints om netwerkverkeer en toegang tot services te sturen.
  2. Service endpoints geven subnetten toegang tot een volledige Azure-service via resource providers.
  3. Private endpoints geven toegang tot één specifieke service-instantie via een privé-IP-adres in een subnet.
  4. Private Link Service wordt genoemd als aanvullende optie om meerdere services samen als private link-oplossing aan te bieden.

Actiepunten

  1. Bekijk andere video's in de cursus om verder te leren.
  2. Verken meer materiaal op Microsoft Learn.